Verwachting (slot)

Marjolijn RusschenPreken

In Lucas 2 zien we twee manieren waarop je in het leven kunt staan. De ene is die van Simeon en Hanna. Zij vinden het kind. De andere is die van mensen die het teken van het kind weerspreken. Ik vond een verhaal waarin het verschil tussen die beide leefwijzen
duidelijk naar voren komt.

Het verhaal gaat over de herders die op weg gingen naar Betlehem. Of, beter gezegd,
Het gaat over die ene, al wat oudere herder, die níet meeging. Hij zei: ‘Er moet toch íemand zijn, die bij de schapen blijft’. Maar dat was niet écht de reden waarom hij niet méé ging.
Hij was bang. Hij was bang, dat die tocht naar Betlehem zou uitlopen op een teleurstelling.
Hij had al zo váák meegemaakt, dat hóóp, zómaar vervlógen kan zijn. Dat wilde hij niet nóg een keer. Hij keek de andere herders na. In de verte meende hij inderdaad iets te zien, van een licht.
Maar toen zag hij ineens – vlakbij hem – óók een licht. Wat wás dat? Zag hij spóken? Nee, het was écht. Het was een helder licht – en stabiel was het ook. Dat licht dééd iets met hem. Het riep verlangens bij hem op. Oude verlangens. Het verlangen, om in het reine te komen met zijn verleden, Het verlangen naar een lijn in zijn leven. Het verlangen naar liefde en gelúk. Hij probeerde dat licht te gríjpen. Maar zodra hij dichterbij kwam – week het licht terúg. Hij probeerde het nóg een keer en nog een keer. Zó deed hij z’n best om dat licht in handen te krijgen, dat hij niet zag, waar hij liep. Het volgende moment lag hij in de struiken. Toen hij overeind klauterde, zat hij vol schrammen en krassen en het licht was wég. Toen de andere herders terugkwamen en hem zagen, Met bloed op zijn handen en op zijn gezicht, vroegen ze wat er was gebeurd. Verbitterd vertelde hij over dat licht. Ik wilde het grijpen, zei hij, maar het week steeds terug.
Eén van de herders, nog wat ouder dan hijzelf – zijn gezicht straalde –…………….zei: ‘Zolang je het licht wilt gríjpen, wijkt het terúg. Maar je kunt wel wat ánders doen: Aanschouw het, béschouw het, Verwónder je erover, En als je ziet dat het van Gód komt, aanbid het. Dan zal het ook tot joú doordríngen’.

De herders, die naar Bétlehem gaan, lijken op Simeon en Hanna. Simeon is rechtvaardig en vroom. De Heilige Geest rust op hem. Hij houdt zich aan de Tora, aan de geboden, de leefregels, die God aan Israël heeft gegeven. Hij dient God en Hij verwacht dat God zijn volk troost zal schenken. Hanna, staat voor de profetie. Haar naam verwijst naar die andere Hanna, de moeder van Samuel. Dag en nacht is Hanna in de tempel om God te dienen.
Ook zij verwacht redding voor Israël.

Beiden dienen God, en beiden verwáchten redding. Dienst en verwachting hebben met elkaar te maken. Dat weten we uit het boek Exodus.

De leefregels die God in de woestijn geeft aan het volk Israël wijzen de weg naar het beloofde land. Het zijn wegwijzers. Als je je daarnaar richt, vind je de weg naar het beloofde land, naar een wereld waarin recht wordt gedaan, waar vrede is en overvloed.

– Het boek Exodus heel kort samengevat: – Uittocht, doortocht en intocht leren ons:
We zijn geen slaven meer. We zijn vrij. God heeft ons verantwoordelijkheid gegeven, In welke situatie we ook zijn, en wat ons ook is overkomen – Wij kunnen kiezen, wat wíj in die situatie zullen doen. Die richtingwijzers van God helpen ons om het beloofde land voor ogen te houden. Daar gaan we heen. Daar gaat het naar toe.
Die houding zien we bij Simeon en Hanna. En in de getallen die we in onze tekst tegen komen zien we al, dat hun verwachting vervuld zal worden. Hanna was 7 jaar getrouwd en 84 jaar weduwe. Ik weet niet of je dat getal letterlijk moet nemen, dan zou Hanna al boven de 100 zijn – maar in ieder geval is dat getal symbolisch.

84 is 7 x 12 – 7 is het heilige getal, het getal van de volheid, en 12 is het getal van de stammen van Israël. Als je dat getal 84 hoort, dan weet je: Nu gaat het gebeuren – Dat waar Israël voor staat: een heilvolle toekomst voor allen, dat wordt nu vervuld. En dan ineens, terwijl ze bezig zijn met hun dienst in de tempel, zien ze het. Het pasgeboren kind.
Het kind dat een nieuw begin maakt in hun leven. Het kind dat hen, zo oud als ze zijn, hoop geeft.

Die ene herder in ons verhaal zegt: Als je het licht ziet, Aanschouw het dan. Béschouw het,
Verwónder je erover, En als je ziet dat het van Gód komt, aanbid het. Dat doen Simeon en Hanna. Zij vínden. Zij zien het wonder van het kind en ze nemen het in hun armen, Dat geeft hen hoop voor een toekomst die veel verder reikt dan hun eigen leven. Het verhaal gaat door, ook als zij er niet meer zijn. En ze jubelen van vreugde.

Het klinkt bijna idyllisch: die twee oude mensen, Die het wonder aanschouwen en aannemen. Maar dan ineens spreekt Simeon harde woorden. Moet dat nou? Altijd weer wordt de idylle verstoord. Wat jammer nou. Kunnen we die harde woorden van Simeon niet gewoon maar overslaan? Nee, toch maar niet, want daardoor wordt het verschil tussen beide levenshoudingen duidelijk.

Laten we eerlijk zijn. Laten we de realiteit van ons leven onder ogen zien. Wie je ook bent en hoe je leven ook verloopt, ieder mens ervaart teleurstellingen. Je ouders hebben je niet de aandacht gegeven, waar je zo naar verlangde. Of je kon niet de opleiding doen, die jij graag had willen doen. Je werk is saai. Je ergert je aan je collega’s. Je echtgenoot doet niet wat jij wilt, en je kinderen al helemaal niet. Je bent 50 en dan gaat het bedrijf waar je werkt failliet
En er is nog zoveel meer. En dan leven wij nog in vrede en welvaart. Het is niet moeilijk om teleurgesteld en verbitterd te raken. Maar dat hoeft niét.

Je kunt net zoals Simeon en Hanna, trouw blijven aan de dienst aan God. En je zelf trainen om te blijven uitzien naar het wonder, En het te blijven verwachten. En dan, als het er zomaar ineens is, het omarmen en jubelen van vreugde.

Je kunt ook doen, wat die anderen doen, die aanstoot nemen aan dit kind, en het teken van dit kind weerspreken. Dat is wat die herder doet, die het licht wil grijpen. Hij gaat ervan uit, dat hij er recht op heeft. Hij heeft verwachtingen van het leven en hij vindt dat die uit moeten komen. Maar de dingen pakken anders uit. Hij raakt teleurgesteld en verbitterd.

Simeon en Hanna leren ons: het is andersom. Het gaat er niet om wat ik van het leven vraag,
Het gaat erom wat het leven van míj vraagt. De situatie waarin ik mij bevind is mij overkomen. Het is gegaan, zoals het is gegaan. Maar ín die situatie kan ik zomaar ineens ontdekken, hoe ik verder kan gaan. Ineens weet ik het: Hoe vast ik ook zit, hoe oud ik ook ben, Er is een nieuw begin mogelijk. Ik ben vrij. Ik ben geen slaaf meer. Ik kan zelf kiezen hoe ik hier en nu, daarmee omga. Ik vind het licht en ik omarm het.
Laten we nu niet met het vingertje wijzen en zeggen: Ík ben zoals Simeon en Hanna,
En degenen die ten val komen, dat zijn de anderen. Nee: beide levenshoudingen,
Die van Simeon en Hanna én die van degenen die het teken weerspreken, zie ik in mijzelf.
Misschien kun je wel zeggen: mijn leven is een constante worsteling is tussen die ene levenshouding en de andere. Steeds weer ben ik geneigd mij te verstoppen achter de omstandigheden, achter de anderen. Zij hebben het gedaan. Het is hun schuld.
En steeds weer word ik uit dat denken bevrijd, door de dienst aan God. Die sterkt mijn vertrouwen. Ik durf het erop te wagen. Ik durf het licht toé te laten.

Het is vandaag 31 december. We staan op de drempel naar een nieuw jaar. Onherroepelijk en onbarmhartig volgt het ene jaar op het andere. Het is een rechte weg. Weer worden we een jaar ouder. Maar wij hebben hoop. Wij weten: De weg door de woestijn naar het beloofde land is geen rechte weg. De weg van de verwachting is géén rechte weg.
Op de weg van de verwachting, Kan ik zomaar ineens het wonder vinden van het nieuwe begin. Zomaar, mídden in de tijd, Misschien wel nu. En net als Simeon en Hanna, Omarm ik het en ik jubel van vreugde.

Ik vond een uitspraak van een Engelse schrijver (Evelyn Waugh): En daarmee wil ik besluiten.
‘Zonder geloof ben je een vogel,
Fladderend door een duistere ruimte,
Steeds weer bots je op tegen de ramen,
terwijl de deuren naar de zon openstaan’.

Amen.

Lukas 2 vers 22-40 31