titel van de preek, 3-9-10

BhrDSchieNieuws

Preek voor zondag 16 september 2012.
Startzondag
Geloof, hoop en liefde, 1 Cor 13.

Gemeente van Jezus Christus
In het dagblad Trouw schrijft Anniek van den Brand
elke week een column over haar kinderen.
Tijdens vakanties zijn ze vaak in kerken geweest.
Die maken diépe indruk op haar kinderen.
Beide kinderen lezen de bijbel.
En het is zelfs één van de favoriete boeken
Van haar zoontje.
Hij is een jaar of tien, elf.

Kort geleden ging hij met zijn oma naar de kerk.
De preek ging over de wonderbare spijziging
De pastoor legde uit,
dat het niet om vermenigvuldigen ging,
Maar om delen.
Haar zoon is nu écht verrúkt.
Bij het naar bed gaan, die avond
Zegt hij,
‘Ik dacht al veel lánger,
dat Jezus niet een soort góóchelaar is!
Bijbelverhalen zijn púzzels.
Het líjken misschien sprookjes,
Maar ze hebben een geheime boodschap,
En dié moet je proberen te vínden’.

Misschien geldt dat ook wel voor
geloof, hoop en liefde.
Het zijn bekende woorden,
maar betékenen ze wel,
wat we dénken, dat ze betekenen?

We beginnen bij het geloof.
Geloven is níet: twíjfelen.
Geloven is niét: het niet-zéker weten
Geloven is juist:
zéker weten,
Er vást van overtuigd zijn,
Vertroúwen –
Dat Gód je leven verándert en vernieúwt.
Stééds weer opnieuw.

Geloven is vást vertrouwen,
Dat God van je hoúdt,
dat je een wáárdevol mens bent,
en dat je leven niet zómaar,
zínloos voorbíj zal gaan.

Paulus zegt,
Gelóven betekent:
Christus is opgestaan in mij.
Ikzélf leef niet meer,
maar Chrístus lééft – ín míj.

Hij bedoelt daarmee:
Je kunt op twee manieren leven.
De een manier is:
Je leven is niet,
Wat je je ervan hebt voorgesteld,
Je doet niet wat je zou willen doen,
Het voelt allemaal zinloos en hopeloos.
Je zit vast.
Je zit op een dood spoor.
En je ziet geen uitweg.
De andere manier is gelóven.
Dan vertroúw je erop dat je leven zín heeft,
Of dat het weer zin kan kríjgen
óndanks álles.
En dat jíj ertoe doét.
en dat wát jíj doét, belángrijk is.

Christus leeft in mij –
Paulus bedoelt daarmee:
Zo kan ík zijn,
Zoals Chrístus.
Zo vol liefde voor mezelf
Zo vríj,
Zo vrij van ángst
Zo vrijmoédig
Zo goed voor ánderen.
Het klinkt als een puzzel –
Maar als Christus leeft in mij,
ben ik méér mezelf dan óóit tevoren –
dan leef ik écht.
Dát zegt Paulus over geloven.

Soms heb ik wel eens het gevoel,
Dat ik alles fout doe.
Misschien kent u dat wel.
Dat trekt je in de pút.
Maarten Luther had dat óók.
Zijn geestelijke begeleider zei toen eens tegen hem:
Maarten,
houd nu eens óp te kijken naar je zonden,
Houd nu eens op te kijken,
Naar wat je foút doet,
Begin eens te kijken naar Jézus,
Naar zíjn liefde voor joú,
Ontdek wie je bent in Zijn ogen.
En wie jíj kunt zijn.

Tegenwoordig zijn veel mensen depressief.
Ineens zag ik deze week een parallel
Tussen het alom aanwezige óngeloof in onze maatschappij.
En die depressiviteít, die zo veel voorkomt.
Ze líjken op elkaar.

Als je depressief bent is je leven leeg,
zonder kleur,
zonder zin.
Uitzichtloos,
je kunt er geen grip meer op krijgen,
je zakt weg,
steeds verder.

In onze maatschappij is dat niet verwónderlijk.
In onze maatschappij is het belangrijk dat je succés hebt.
De mate waarin je wel of niet succes hebt,
Bepaalt hoe je je voelt.
Die dwáng om succésvol te zijn –
Want het is een dwáng –
leidt tot verlies aan zélfbesef,
tot desoriëntatie en tot vertwijfeling, als je géén succes hebt.
Je zakt weg – steeds verder,
Of je wordt ziek.
De context van het geloof is ánders.
Daarin ben je waardevol –
zoals je bent
En daarin leef je in het vertrouwen
dat er steeds een nieuw begin mogelijk is.
Ook in joúw leven.

We gaan naar de liéfde.
Ook dat is níet direct wat je zou dénken.
Het is niét:
zwijmelen in de bioscoop
met de arm van je nieuwe date om je heen.
Hoe héérlijk dat ook is –
het is niét wat Paúlus liefde noemt.
Liefde is bij Paulus:
het geloof in de praktíjk brengen.

Het is: Christus laten leven in jou.
Dat verkóndigen
en dat doén.
Geloven is niet alleen maar intiéms,
iets tussen God en joú –
Nee,
de ánder heeft er álles mee te máken.
Geloven wordt zichtbaar in de liefde
En als die liefde níet tot uiting komt,
Dan kun je nóg zoveel vrome woorden spreken,
het blijven hólle woorden:
bla, bla.
‘Dit woord is dichtbij u’,
Staat in Deuteronomium,
‘In uw mónd en in uw hárt, om het te doén’.

Liefde is dus geen gevoél,
Het is niet romántisch.
Het is léven vanuít het geloof.
Het is werken,
Want liefde
-kent geen áfgunst!
-geen ijdel vertoon!
-geen zelfgenoégzaamheid!
-ze is niet zelfzúchtig!
En ze rekent het kwaad níet áán!
Dat is héftig!
Dat is hárd werken misschien wel!

‘Er is maar één ding belangrijk’,
zegt Paulus in Galaten 5 vers 6,
‘Geloof dat zich uít in liéfde’.

Bij de verkiezingen de afgelopen weken viel mij op,
Dat het wel vanzelfsprékend lijkt,
Dat je de keuze voor een politieke partij
laat bepálen door je eígen belang.
Dus: ik geniet van hypotheekrente-aftrek,
Dús stem ik op de VVD,
Of: ik vrees voor mijn pensioen,
Dús stem ik op de ouderenpartij.
Als je uitgaat van de liefde,
waar Paúlus het over heeft,
kijk je vérder dan je eigen belang.

In de 18e eeuw zei John Wesley, de grondlegger van het methodisme:
Het Christelijk geloof is in esséntie een sociáál geloof.
Je verniétigt het,
als je het verandert in een individuéle aangelégenheid.

Een van de voorgangers in Iona, Kathy Galloway schreef:
Dit goede nieuws
Dat wij zíjn geliefd
en dat we kúnnen liefhebben
moet gedééld worden.
Het is geen knuffel,
Waarmee we onszelf koesteren.
Het is zélfs niet iets
wat we moeten houden
binnen de beslotenheid en de veiligheid van de kerkmuren.
Het moet vertéld worden –
Niet in wóórden,
Maar in áctie.
Het woord is niet ‘bij woorden gebleven’.
Het woord is vlees geworden,
Het lééfde onder ons.
Wíj eren God,
Door dit goede nieuws te léven.
Door zélf dit vleesgeworden woord van liefde te zíjn.
In het genezen van wonden,
In het herstellen van relaties,
In onze strijd voor gerechtigheid
In de zorg die wij dagelijks geven,
In het genieten van het leven.

Nu de hoop.
Hoop bij Paulus is óók niet zomaar,
Wat je dénkt dat het is.
Hoop is eigenlijk hetzélfde als de liefde,
Maar dan
het volhárdden erin.
In vers 7 staat wat hoop ís.
Dat is liefde.
liefde die alles verdráágt.
Die tegen álles ín gelóóft,
In álles hóópt,
En in álles volhárdt.

Hoop is:
troúw zijn aan je gelóóf:
troúw zijn aan de liéfde.
Het is leven vanuit een ínnerlijke wáárheid.
Dan leef je dus níet
zoals de lifestylevoorschriften of de opiniepeilingen je voorschrijven,
dan weer zus en dan weer zo.
Dan leef je vanuit een ínnerlijke waarheid,
vanuit het geloof,
Dat het anders kan,
En ál liefhebbende probeer je daaráán vást te houden.

Iemand zei laatst tegen mij:
Opgeven komt niet in mijn woordenboek voor.
Dát is hoop.
Degene die dat zei,
Is zijn leven lang al actief in kerk en samenleving.
Ook nu hij alweer een jaar of wat met pensioen is.

Die hoop,
Dat dus onverwoestbare geloof,
Die dus onverwoestbare liefde
Die kom ik tegen waar mensen kerk proberen te zijn.
In Oxford zag ik een kerk,
Die noemt zichzelf:
Love in Action
Liefde, die in de praktijk wordt gebracht.
Liefde in uítvoering.

En in Oostenrijk en in Duitsland
en inmiddels ook in andere landen –
is in de katholieke kerk een beweging ontstaan, die heet:
Wír sind Kirche.
Dus niet,
Wij hébben een kerk,
Maar wij zíjn een kerk.
Niet de top van de kerk bepaalt wat de kerk is.
Wij sámen zíjn die kerk,
Wij zíjn die mensen,
die weten wat geloven is,
en die de liefde proberen wáár te maken,
En dat geven we niét op.

De woorden geloof, hoop en liefde zijn bekénd.
En iedereen denkt er het zijne bij.
Maar ze hebben ook een geheíme boodschap,
En díe moet je proberen te ontdekken.
En te léven, steeds weer opnieuw.
Geloof…………………………
Liefde………………….
Hoop…………………………
Ze horen bij elkaar.
Maar de meeste van deze is de liefde.

U kent wel het verschijnsel van een epidemie.
Als een lopend vuur verspreidt zich een besmettelijke ziekte.
Gedachten en gebruiken kunnen ook besmettelijk zijn.
Dan spreek je van een sociale epidemie.
Iedereen wil ineens schoenen X hebben,
Iedereen koopt ineens in winkel Y
Iedereen doet ineens aan meditatie.

Of zo’n sociale epidemie succes heeft
hangt voor een groot deel af
Van de betrokkenheid, van mensen,
die veel én veel verschíllende contacten hebben.
Verbínders zou je die mensen kunnen noemen.
Ik dacht daarbij aan de kerk – natuurlijk.
En ik dacht:
Sámen zijn wij toch allemaal:
Verbínders,
Mensen
die betrókken zijn bij de kerk
die leven vanuit geloof, hoop en liefde,
én mensen die samen veel contacten hebben,
in allemaal verschillende omgevingen.
Wij kunnen allemaal verbinders zijn in onze eigen omgeving.

Wat zou er gebeuren
Als de mensen in al die verschillende omgevingen
Van ons allemáál ervaren,
Wat geloof, hoop en liefde is?

Wíj kunnen van geloof, hoop en liefde –
Een sociale epidemie maken–
Een tégengif
tegen een ik-gerichte maatschappij,
Waarin alleen belangrijk is dat je succesvol bent,
Tegen een maatschappij,
waarin mensen eenzamer zijn dan ooit.

Niet iedereen neemt zijn kinderen in vakanties mee in kerken.
Veel mensen lezen nooit een bijbel.
De énige bijbel die ze kúnnen lezen
Dat zijn wíj.

Door óns
Door ons allemaal samen
kunnen mensen die geheime boodschap ontdékken,
die prachtige boodschap van
geloof, hoop en liefde.
Amen.