Preek 26 mei 2019

Afscheid als predikant van de Grote of Sint-Janskerk te Schiedam

Exodus 14 vers 5 t/m 22, 1 Kor 12 vers 12-27 en Luc 3 vers 21 en 22

 

Gemeente van Jezus Christus,

 

Wie mij als predikant heeft gehad weet, dat ik gráág experimenteer. In mijn eerste gemeente, in Losser, begonnen we eens de vroege dienst op de Paasmorgen, de kinderdienst, zó vroeg, dat de kinderen zouden zien, dat het weer licht wordt, ook al is de nacht nog zó donker.

In Deil en Enspijk, ook in de Paasnacht, hebben we, samen met de omliggende dorpen voor een grote groep tieners, een paasnachtwandeling georganiseerd. Vroeg in de morgen, het was nog donker, reed ik naar Beesd voor de afsluiting met een Taizégebed. Toen zagen we het: de dág komt tevóórschijn ín de nacht!

Een andere keer in Deil, had ik met Peter afgesproken, dat hij tijdens de preek zou roepen dat hij het niet met mij eens was. Zo konden we laten zien, dat een preek geen monoloog is, maar een gesprek. Iedere toehoorder voert zijn eigen gesprek met de preek.

Ook in Schiedam hebben we geëxperimenteerd in de dagen van Pasen en ook met series preken rond een thema. Ook vandaag staat niet een lezing volgens het rooster, maar een thema centraal. Dat thema ís ‘de kerk’. Drie aspecten van ons kerkzijn komen aan de orde:

Verhalen, rituelen en gemeenschap.

Ik begin met verhalen. Nog nooit heb ik een preek gehoord, waarin het bestaan van God werd bewezen. Nog nooit heb ik een preek gehouden die een opsomming was van leerregels. Nog nooit ook, heeft één gemeentelid dat van mij gevraagd. In de kerk wordt niets bewézen en wordt niemand aan banden gelegd. In de kerk worden verhálen verteld, want de Bíjbel staat vól verhalen.

Die verhalen wórtelen in de geschiedenis, maar ze zijn veel méér dan geschiedenis. Ze gaan niet alleen over mensen toen, maar over mensen in alle tijden, dus ook over ons nu.

Als je leest over de uittocht uit Egypte, de doortocht door de Rode Zee, en de weg naar een nieuwe toekomst in het beloofde land, dan weet je, dit gaat over míj.

In ‘Egypte’ worden mensen gebruíkt voor het economisch gewin van anderen. Het is een slávenbestaan. Het doet God pijn om te zien. Hij doet alles om zijn mensen uit die ellende te bevrijden. Hij wil dat mensen in vríjheid hun eígen keuzes kunnen maken, dat mensen recht wordt gedaan, en dat er genoeg is voor iedereen. God wil, dat mensen waardig leven, in vrede en met vreugde.

Als je het moeilijk hebt, of als je je afvraagt wat de zin van je leven is, en je hoort dan over uittocht en doortocht, dan gebeurt er iets met je: je wordt wakker geschud, je voelt je gekénd. Je krijgt moed, en kracht en vertrouwen en je staat óp om op weg te gaan naar een zínvolle toekomst.

De uittocht uit Egypte was mijn verhaal, toen ik, begin twintig, liefdesverdriet had, en me eenzaam voelde. Dit verhaal was mijn verhaal, toen ik in een verpleeghuis werkte. In die tijd moest je van elk bezoek en bezoekje een verslag schrijven. Ik verzette me daartegen. Ik, als pastor, was de enige die tijd had om te praten met de patiënten én hun families, en nu werd ook dié tijd nog ingekort. Met een manager die geen idee had, wat pastoraat ís, en dat ook niet wílde weten, gaf het verhaal van de uittocht, mij moed om te strijden voor aandacht voor de mensen. Ook in mijn gemeente-werk gaf dit verhaal mij moed en vertrouwen! Ik raad elke manager aan om deze Bijbelverhalen te lezen! Elke verandering is moeilijk. Voor een persoon én voor een organisatie. Van nature wíllen we helemaal niet veranderen.

Zelfs als je ongelukkig bent, kost het moeite om de stap naar verandering te zétten, én die verandering vól te houden. Hoe ellendig het ook is in ‘Egypte’, we griezelen voor het onbekende: die diepe zee waar we doorheen moeten, en de onbekende toekomst, als er toch een pad door de zee blijkt te zíjn. Je weet niet hoe het vérder zal gaan. Er is alleen die belofte dat je tot je recht zult komen.

Als je hoort over Israël in Egypte, voel je je gekend tot in je diepste wezen. Er stroomt weer kracht in je lijf, en je staat op en gaat op weg. Dát gebeurt in een kerkdienst, in al die gesprekken, die tijdens de preek, worden gevoerd. Dat doet zo’n Bijbelverhaal.

Nu de rituelen.

Een paar weken geleden, in Berlijn, in de Paasnacht, lieten 100 volwassenen zich dopen.

Eén van hen was Arndt Bethke, 49 jaar, atheïstisch opgevoed. Musicus. Leraar. Richtte muziekscholen op, verdiende geld, maar voelde zich uiteindelijk alleen maar uitgeput.

Toen werd hij kerkmusicus. Hij maakte veel diensten mee. In de Paasdienst in 2012 begon hij te vermoeden: die uittocht, dat nieuwe begin, waar het met Pasen over gaat, dat geldt ook voor mij. Ook ík kan míjn wonden achter me laten, en opstaan, en op een nieuwe manier gaan leven.

Martin Döbele, trouwde met een vrouw die katholiek was opgevoed. Hun kinderen deden mee aan de voorbereiding voor de eerste communie. Voor het eerst in zijn leven hoorde Martin meerdere preken achter elkaar. Tot zijn verrassing spraken die preken, en de solidariteit en naastenliefde, hem aan. Ook hij koos voor deze manier van leven. Ook hij liet zich dopen.

Een doop – of het nu van een kind is of van een volwassene – ontroért ons. Want je weet:

God zal ook hem dóór de diepte héén halen, elke keer als het moeilijk is. God zal ook haar de weg wijzen naar een zinvolle toekomst.

Al onze rituelen, of het nu de zondagsrust is, of de kerkgang, of de doop of iets anders  herstéllen ons in onze waardigheid en kracht. Door dat ritueel ervaren we, wie we kúnnen zijn. In het ritueel verbinden we ons met Gód.

Wij kunnen God niet begríjpen of bewíjzen, maar we kunnen ons wel verbinden met God.

Wij kunnen wél: zijn liefde in de wereld brengen. Wij kunnen leven in gemeenschap met Christus en doen wat Hij ons heeft voorgedaan.

En daarmee zijn we bij het derde aspect van ons kerkzijn: de gemeenschap. De gemeenschap van mensen, die zich verbínden met God. Wij zijn het lichaam van Christus.

Ja, ik weet het: de misbruikschandalen. En de mannen in zwarte pakken die vertellen

dat vrouwen hun mond moeten houden en dat we homo’s moeten haten. Ik praat niets goed, maar ik wil dít zeggen: kijk om u heen! Dan ziet u die véél grotere kerk, van ál die mensen in Nederland en in de hele wereld, die élke zondag, krítisch naar zichzelf kijken. Zij beseffen: wíj zijn die sláven in Egypte. Wíj zijn die wonden aan het lichaam van Christus. Wwij zijn het die onszelf en elkaar en anderen tekort doen. Maar óók elke zondag ontwáken ze, want de liefde van God geeft hen de moed om op te staan en opnieuw te beginnen.

Dit zijn we dan:

Mark, hij is er elke zondag het eerste, en Meinald, hij is er het laatste. Marlies. Zij laat ons elke dienst merken, dat ze blij is, dat ze er is. Jan, 94 jaar, houdt van het moderne gezongen Onze Vader. Els, die véél jonger is, wil het Onze Vader juist graag op de oude manier, hardop uítspreken. Jurrie vindt het belangrijk, dat elke dienst volgens een váste orde verloopt en Boudewijn en Nicoline worden juist blij als er wat variatie in zit. We hebben een huisschilder en een kunstschilder, een rechter en een vliegtuigmonteur, schrijvers en ict-ers, mensen in onderwijs, zorg, overheid, bedrijfsleven en scheepvaart. We hebben bestuurders én we hebben Maarten. Maarten werkte 44 jaar in de bouw. Meestal in Rotterdam-Zuid of Alexander. Hij fiétste naar zijn werk, 14 km heen en 14 km terug. Dan liep hij nog twee avonden per week 10 km hard, en op zaterdag nog 15 km. Respect Maarten.

Als iemand onwel wordt, biedt Dirk deskundige hulp. Toen Cees en Ruud trouwden waren we er allemaal bij en allemaal missen we de laatste maanden de gezelligheid van Coby en de prachtige voordracht van Adriaan.

We hebben singles en gehuwden, homo’s en hetero’s, mensen met en mensen zonder kinderen. Bij de ingang staan rollators en scootmobiels. Kinderen houden geheime beraadslagingen in de verstopplekjes van de kerk en Henk en Hylkje, ze zijn bijna 70, verhuizen met een gerust hart naar Groningen, want ze weten, dat ze ook bij de gemeenschap dáár, thuís zullen zijn. Dát is de kerk. Dat is míjn kerk.

Weet u wat ín is tegenwoordig? Verhalen en rituelen en: gemeenschap! In de kerk ís het er – allemaal tegelíjk, en nog veel meer!

De brief waarin mij emeritaat werd verleend, sluit af met de woorden: ‘Het dagelijks bestuur van de landelijke kerk, bidt u Gods zegen toe en spreekt de wens uit, dat u de kerk zult blijven dienen’. Ja, dat zal ik doen. Dat heb ik besloten toen ik 40 jaar geleden belijdenis deed. Dat blíjf ik doen. Én: ik blíjf experimenteren. Want zó, wil Gód ín de wereld zijn: in óns, in mensen, die tastend in het duister, zoéken naar licht.

Dié God – ís en blíjft een geheim. Hij laat zich niet vastleggen in onze beperkte begrippen.

Wij kunnen God niét bewijzen. We kunnen iéts – dat veel gróter is.

Wij kunnen ons met God verbínden. Wij kunnen God lóven – met ons héle wézen. Amen.