Relatie met God

Voor mij begint het geloof met verwondering. Geloven is met een houding van verwondering, ontzag en dankbaarheid in het leven staan. Verwondering over die prachtige wereld waarin we leven, verwondering over al die bijzondere mensen die ik ontmoet, verwondering over de geweldige dingen waartoe mensen in staat zijn.
Die houding leerde ik als kind. Later herkende ik die houding in de gedachten van de filosoof Abraham Heschel, en in het denken van andere joodse geleerden (bijvoorbeeld van Pinchas Lapide, nieuw-testamenticus en van de Emmanuël Levinas, filosoof).
Ben ik dan een jood? Nee, ik ben christen. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het christelijke gezin en de christelijke cultuur waarin ik ben opgegroeid. Als jongvolwassene heb ik die zeer kritisch bevraagd, er de rijkdom van ontdekt en er bewust voor gekozen.
Ik vind het prachtig dat wij kunnen zeggen dat die God, die ons bevattingsvermogen te boven gaat, en die wij nooit kunnen be-‘grijpen’ en nooit in onze hokjes kunnen opsluiten, dat die God zich tegelijkertijd aan ons kenbaar maakt in Christus, een mens zoals wij, een God die ons leven en alle moeiten en vreugden daarin van binnenuit kent.
Wat ik lees over Christus is voor mij een eindeloze bron van inspiratie en belofte.
Ook heel bijzonder vind ik dat die God zich op nog een derde manier kenbaar maakt: in de Heilige Geest. Zijn Geest, God zelf dus, is aanwezig in ons, in heel die bonte verscheidenheid van mensen wereldwijd, die in zijn naam leven. Zo is God, zo is Christus nu aanwezig: in die mensen, in jou en mij.
Ja, ik ben christen, maar ik kan de bijbel alleen maar verstaan, als ik vertrouwd ben met de denkwijze van de joodse schrijvers ervan. Dat is een belangrijk inzicht van de Bijbelwetenschap na de Tweede Wereldoorlog. Eeuwenlang is de uitleg van de bijbel sterk beïnvloed geweest door de (niet-Bijbelse) klassieke filosofie. Daardoor is het geloof veelal beland in de bovenaardse sferen van het denken van Plato. Maar: het bijbels-joodse denken zet me met beide voeten op de grond en wijst mij de weg in mijn o zo aardse, lichamelijke bestaan. Oude en Nieuwe Testament sámen zijn de Bijbel.

Gemeenschap

Een tweede kernpunt van het geloof is de gemeenschap.
Mijn bestaan is ondenkbaar zonder de ‘ander’. De ander komt altijd eerst.
Ik heb mezelf niet voortgebracht. Ik zou onmogelijk kunnen bestaan zonder de ander.
Wij zijn onherroepelijk op elkaar aangewezen. Wij zijn gemeenschaps-wezens.
Natuurlijk heb ik mijn eigenheid. Daar hecht ik aan, die heeft bestaansrecht, net als de eigenheid van ‘de ander’, van ‘iedere ander’.
Maar in de individualistische samenleving waarin wij nu leven kunnen wij ons niet ‘thuis’ voelen. Die maakt ons tot concurrenten van elkaar, die spiegelt ons voor dat ‘steeds meer’ het hoogste doel is en daarin leven wij ten koste van de ander (dichtbij en/of ver weg). Dat individualisme maakt ons eenzaam en depressief.
Als christenen leven wij in een gemeenschap. Een gemeenschap van mensen die we niet zelf hebben uitgekozen. Het zijn niet ‘onze vrienden’, het zijn niet de mensen die we zomaar leuk of aardig vinden, het zijn niet de mensen die hetzelfde soort werk doen of in een zelfde inkomensklasse zitten als ik. Het zijn ook niet mensen ‘van mijn leeftijd’.
Het is een bonte verzameling van mensen, van alle rassen, leeftijden, klassen en geaardheden.
Het samenleven in die gemeenschap kan behoorlijk lastig zijn, want de mensen in die gemeenschap hebben nu eenmaal dezelfde eigenaardigheden als mensen overal. Toch weet je: wij zijn op elkaar aangewezen, wij kijken naar elkaar om, wij proberen onszelf te overwinnen en we zoeken steeds weer naar wegen om vreedzaam samen te leven. Al doende ontdekken we hoeveel voldoening en vreugde dat geeft.

Dienst aan de samenleving

Het dienstbare aanwezig zijn in de samenleving behoort tot de kern van ons geloof.
Diezelfde houding, die wij naar elkaar hebben, hebben we ook naar buiten toe. Wij zijn geen ‘besloten club’. De kerk is per definitie open, gericht op het welzijn van allen.
Kerken overal, wereldwijd zijn herkenbaar aan hun diaconale werk. De diaconie van de gemeenschap van de Grote Kerk zet zich in voor de Voedselbank, veel vrijwilligers zijn actief in ‘De Wissel’, het inloophuis van de Raad van Kerken. Veel vrijwilligers zorgen samen dat de kerk van april tot en met september ’s middags open is. Bezoekers kunnen binnenlopen om het gebouw te bekijken maar ook om te bidden of een kaars aan te steken. Indien gewenst is een pastoraal gesprek mogelijk. De kerk wordt opengesteld – als daar aanleiding toe is – om slachtoffers van een ramp te gedenken, om medeleven te kunnen betuigen en – rond Allerheiligen – om geliefde overledenen te herdenken.
In de kerk worden open maaltijden gehouden (op de 2e en 4e dinsdag van de maand om 18.00 uur, opgave uiterlijk op de zondag ervoor bij hannekeguijtdrenth@gmail.com) en zijn meditatie- en morgengebeden (op de 2e en 4e zaterdag van de maand (geen opgave vooraf noodzakelijk).
Daarnaast zijn individuele leden van de kerk als vrijwilliger actief in verpleeg- en verzorgingshuizen, in het onderwijs, in vluchtelingenwerk, zij geven taalonderwijs aan nieuwkomers en werken actief aan milieuprojecten.