Liefde op leven & dood, 4-11-’18

BhrDSchieNieuws, PrekenLeave a Comment

Gedachteniszondag

De dood hoort bij het leven. Vaak ben je je daar niet zo van bewust, maar wanneer je zelf ouder wordt en mensen om je heen wegvallen, of wanneer iemand sterft, die voor ons gevoel nog veel te jong was om te sterven, of wanneer zelfs een kind sterft – zoals in onze gemeente gebeurde – dan komt de realiteit van ons kwetsbare leven, keihard binnen.

Als iemand sterft, die oud is en der dagen zat – zoals dat zo mooi heet in de Bijbel – dan kunnen we daar vaak wel vrede mee hebben. Als iemand jong sterft is dat heel anders.

Maar áltijd is er verdriet en altijd is er de pijn van het gemis. Het is een soort heimwee, een sterk verlangen. Zo graag zou je haar stem nog een keer horen, zo graag zijn lachende gezicht nog een keer zien.

Ida Gerhardt zegt in een gedicht:

‘Zeven maal om de aarde te gaan,

Als het zou moeten op handen en voeten;

Zevenmaal, om die ene te groeten

Die daar lachend te wachten zou staan’.

Als dat toch eens zou kunnen! Maar het kan niet. Elke keer als dat verlangen de kop opsteekt, komt ook meteen het weten: Het kan niet. Nooit meer.

Hoe blijf je dan staande? Is er ergens een troost? Is er iets wat ons moed kan geven?

Ik denk dat de Bijbelteksten van vanmorgen dat kunnen. Ze worden op deze dagen van gedenken overal in de wereld gelezen. Zij geven ons houvast.

De zaligsprekingen, de tekst uit Mattheus 5 dus, gaat over mensen die lijden, over de treurenden. Het gaat ook over mensen, die hun best doen om het lijden van anderen te verminderen: zachtmoedige mensen, barmhartige mensen. Zij zien de pijn van de ander.

Zij zien het onrecht dat er is. Zij lijden daaronder, en zij zetten zich in voor gerechtigheid.

Jezus noémt ál dat lijden. Het is er. Dat moet gezien worden en dat moet gezegd worden:

er ís onrecht. Voor veel mensen ís het leven zwaar, en bijna iedereen heeft wel eens een perióde in haar leven, die zwaar is.

Jezus benoémt niet alleen de pijn van mensen. Hij lijdt er zélf aan – net zoals God daaraan lijdt. God houdt van mensen en hij wil niets liever dan dat het goed met hen gaat. Het lijden van welke mens dan ook beweegt Hem tot in zijn ingewanden. Maar nu zegt Jezus: Juist die lijdende mensen, die zijn gelukkig. Hoe kan dat? Wat bedoelt Jezus daarmee? Hij bedoelt daar absoluut niet mee dat het goed is om te lijden. Hij bedoelt iets heel anders.

Jezus spreekt hier lijdende mensen moed in. Hij zegt: God houdt van jou. Hij kent je hart. Hij weet wat er in je omgaat. Hij ontfermt zich over jou. Die liefde, die vervult je.

Je stroomt als het ware vol met die liefde. Die liefde kruipt als het ware in al je vezels. Zo dichtbij is God. En u begrijpt: als je zo volstroomt met liefde, dan word je er warm van en sterk. Het is als het zonlicht, dat door de ramen schijnt en het huis verwarmt. Zo schijnt de liefde van God in jou en verwarmt jou. En u begrijpt: als je zo warm en sterk bent, dan straal je dat ook uit. Dan straalt die liefde en warmte ook weer uít jou náár ánderen.

Dus, zegt Jezus hier: in jou, hoe klein en kwetsbaar en verdrietig je je soms ook voelt, in jou en door jou – schijnt de liefde, schijnt het licht van God.

Als je dat nog maar moeilijk kunt geloven, kijk dan eens naar Jezus zelf. Als je verder leest in het evangelie ontdek je, dat Jezus zelf zo’n arme mens is. Hij is zelf een mens die lijdt – en tégelijkertijd zién we in Hem het licht van God. Hij straalt liefde en warmte uit. Jezus is de verpersoonlijking van de liefde van God.

Hier – in ons stérvend bestaan wordt Hij voor ons geloofwaardig, én: hier, in dít stérvend bestaan worden wíj: mensen van God. Liefde – op leven en dood. (Lied 321) Ja, liefde op leven en dood. In óns stérfelijke bestaan – en alléén daar – kunnen wíj – mensen van God zijn. Dat is troost en bemoediging.

Iedereen die een geliefde heeft verloren weet dat. Want die mensen die ons zijn voorgegaan, ja – ze hadden natuurlijk allemaal – net als wij – hun eigenaardigheden en hun onhebbelijkheden, maar ze hebben ons ook iets van God laten zien. Ze hebben voor ons gezorgd. Ze hebben plezier en gezelligheid in ons leven gebracht. Ze hebben ons voorgeleefd, hoe we om kunnen gaan met tegenslagen. Zij hebben ons gevormd, wijsheid meegegeven misschien wel.

Allemaal dingen om – net als de mier – zorgvuldig te bewaren. (verhaal over de Eekhoorn en de Mier van Toon Tellegen is verteld)

Zulke mensen, mensen die ons iets van God laten zien, worden in de Bijbel ‘heiligen’ genoemd. Door die heiligen, door onze lieve gestorvenen dus, heeft God grote dingen gedaan. Dat is een troost. En dat bemoedigt ons om ook zélf ons te laten koesteren door de liefde van God, zodat wij ook zélf die liefde uitstralen. Wíj kunnen dat nog. En wij hebben ontdekt hoe belangrijk dat is. Belangrijker dan prestaties, succes, rijkdom, macht en aanzien.

Die boodschap komen we in de Bijbel steeds weer tegen. In Jesaja 60 gaat het over Jeruzalem. Jeruzalem is – kort gezegd – in de Bijbel de stad waar mensen wonen, die de liefde van God voelen en uitstralen. Dat licht dat Jeruzalem uitstraalt is zo sterk en het heeft zo’n aantrekkingskracht, dat mensen uit de hele wereld erop afkomen. Ze willen allemaal weten wat het geheim is van dat Jeruzalem. Als ze dat ontdekken, en zelf ook zo gaan leven, dan zal er op de hele aarde vrede en gerechtigheid zijn, zegt Jesaja. Van het begin af aan is dat Gods bedoeling: vrede en gerechtigheid voor de hele wereld.

U weet hoe het nu is in Jeruzalem. In de dagen van Jesaja was het ook al heel moeilijk. De inwoners van Jeruzalem waren door God uitgekozen, om de liefde van God uit te stralen. Maar helaas – dat deden ze niet.

Maar, zegt Jesaja, je kunt altijd een nieuw begin maken. Nu kunnen we het anders gaan doen. Nu zal het licht van God schijnen in Jeruzalem, en dat zal een houvast zijn voor de hele wereld. ‘Geslacht op geslacht zal Jeruzalem een bron van vreugde zijn. De Heer zal je voor altijd licht geven, zegt Jesaja. De dagen van je rouw zijn voorbij. Dan telt je volk enkel nog rechtvaardigen’. (Jes 60: 20,21) Leef daarna. Houd daaraan vast.

Dat zegt ook Johannes in het boek Openbaring. In de tijd van Johannes werden christenen vervolgd. Johannes ook. Hij moest vluchten. Hij kwam terecht op het eiland Patmos. Het was moeilijk voor hem: leven als vluchteling, vooral ook omdat hij zich grote zorgen maakte over zijn vrienden en familie, en alle andere medechristenen. Om hen te bemoedigen schreef hij zijn openbaring. Het is een visioen hoe de wereld er uit zal zien, als mensen naar het woord van God luisteren en daarnaar leven. Maar: Johannes wilde zijn geloofsgenoten natuurlijk niet in gevaar brengen, dus hij moest in geheimtaal spreken. Een taal die de Romeinse machthebbers niet zouden kunnen begrijpen, maar de gelovigen wél. Een soort geheime code. Daarvoor koos hij allemaal Joodse, dus Bijbelse symbolen en getallen.

Er gebeuren verschrikkelijke dingen, zegt Johannes, maar gelukkig: er zijn ook mensen die het zegel van God dragen: mensen die de liefde van God uitstralen.

Dat zijn 144.000 mensen  – 144.000 is: 12 x 12 x 1000. 10 – verwijst naar de tien geboden en 2 verwijst naar de twee stenen waarop de geboden stonden. Het woord voor 1000 betekent ook ‘heel veel’.

Heel veel mensen dus, die voortkomen uit het volk Israël, die leven naar het woord van God. Johannes spreekt ook over een onafzienbare menigte. Dat zijn mensen uit alle volken ter wereld, die mee zijn gaan doen met die joodse jongeman Jezus, die liet zien wat het betekent om te leven naar het woord van God. De liefde die hij en de zijnen uitstralen, is zo aanstekelijk en zo overtuigend, dat zij allemaal mee zijn gaan doen. Ook zij dragen het zegel van God.

Zij stáán voor de troon van het Lam. Voor de Romeinen is dat grote onzin. Bij hen zitten grote mannen op de troon, mannen die met mitrailleurs zwaaien en die mensen die op de vlucht zijn – mannen en vrouwen en kinderen en ouden van dagen – criminelen noemen, mannen die oorlog voeren en zich verrijken ten koste van de armen.

Maar de Christenen weten wie het Lam is: dat is Jezus. Bij hen zit Jezus op de troon. En, zegt Johannes: ‘Hij die op de troon zit, zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, want het lam zal hen hoeden. Hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen’. (Openb 7: 15-17)

Nee, ook al gaan we zeven keer om de aarde, onze liefsten zullen we niet meer tegenkomen. Dat doet pijn. Maar al die liefde en vreugde en warmte en wijsheid, die zij hebben gegeven en gedeeld, die geven ons houvast. En zo bemoedigen ze ons ook nu nog, om ook zelf uit die liefde te leven. Amen.

Mattheus 5 vers 1-12, Jesaja 60 vers 1-3, 15 en 19-22 en Openb 7 vers 1-4 en 9 t/m 17

 

 

Geef een reactie