Job, 10 juni 2018

Marjolijn RusschenPreken

Lang geleden kreeg een kennis van mij een zoontje. En dat zoontje noemde ze Job.

Ik weet nog dat ik dacht: Hoe kun je je zoontje nou Job noemen? Al die ellende die Job overkomt! Het leek mij alsof je met zo’n naam het onheil over jezelf afroept. Maar nu ik me wat meer heb verdiept in het boek Job, zie ik dat heel anders.

Aan Job zien we hoe ons leven is. We kennen vreugde in ons leven, maar eigenlijk iedereen kent ook moeite en verdriet. Dat zien we bij Job. Het bijzondere van Job is dat hij ín alles en óndanks álles wat hem overkomt, Gód trouw blijft.

De hele Bijbel gaat over de zoektocht van God naar de mens. De hele Bijbel door is God op zoek naar ons. Hij zoekt en zoekt of hij toch ergens een mens vindt die rechtvaardig is. Zou er toch ergens een mens zijn, die echt op Hem lijkt.

God zoekt de mens. God zoekt de mens die Hem trouw blijft. En u weet – die is moeilijk te vinden. Maar Job – Job ís die mens. Job is een van de groten van de bijbel. Job staat in het rijtje van Noach en Daniël en Job. Dat zijn de drie rechtvaardigen. Zij blijven trouw aan God.

Noach doet dat tegen de tijdgeest in, Daniël – in de verdrukking en Job – in groot persoonlijk leed. Ik zou hen helden noemen. Mijn helden – dat zijn de mensen die in een moeilijke situatie vasthouden aan God en aan zijn liefde en zo een uitweg zoeken. God hoopt dat wij zullen zijn als Job.

Áls ik nog eens de kans zou krijgen, dan zou ík míjn zoon Job noemen.

Aan Job zien we hoe ons leven soms is, zei ik net. Job, dat bent u en dat ben ik. Ja, want het boek Job is een gelijkenis. Als je het boek Job zou lezen als een waar gebeurd verhaal, dan zou het verschrikkelijk cynisch zijn. Dan zouden wij mensen niet meer zijn dan een speeltje,

van hogere machten, die maar wat met ons doen. God en de duivel zouden zich dan vermaken, door met ons mensen spelletjes te spelen, door weddenschappen te sluiten ten koste van ons. Nee, zeggen de rabbijnen, en zij zijn de grote bijbelkenners: Job is een gelijkenis.

Wij kennen de gelijkenissen van Jezus. Wij weten: een gelijkenis vertelt ons iets over onszelf.

Wij lijken op de mensen in een gelijkenis. Neem bijvoorbeeld de gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes. Zomaar een willekeurig voorbeeld. Dan zie je: wij – wij líjken op die meisjes.

Soms op de wijze en soms op de dwaze. Door zo’n gelijkenis kijken we als het ware naar onszelf. Zo’n gelijkenis vertelt ons, wie wij kúnnen zijn.

Zo is het ook met het boek Job. Het is een gelijkenis. Wíj – wij kunnen líjken op Job. Van hem kunnen we leren staande te blijven in alles wat ons overkomt. Laten we met onze ontdekkingstocht in het boek Job beginnen.

Meteen al in hoofdstuk 1 doet Job iets wat heel belangrijk is. Job houdt vast aan twee dingen. Het eerste is: God is er en het tweede is: het kwaad is er.

Als alles hem is afgenomen: zijn bezittingen, zijn knechten, zijn vee en zelfs zijn kinderen,

zegt Job: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’. En als hem dan ook nog zijn gezondheid wordt afgenomen zegt Job: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’

Ik moet u bekennen, dat ik heel lang grote moeite heb gehad met zulke uitspraken. Hoe zou God, de oorsprong van al het goede ook het kwade kunnen geven! Dat kan toch niet kloppen! Maar nu zie ik, dat je het anders moet lezen. Hoe dan?

Job houdt vol: God is er. Hij is de oorsprong van al het goede. Ondanks alles houdt hij daaraan vast. Hij heeft zoveel goeds ontvangen. Dat is een groot geschenk. Dat is zo’n rijkdom – dat had hij nooit willen missen. Job is een dankbaar mens. Hij vertrouwt: het goede komt van God en zal altijd van God blijven komen.

Maar Job zegt nog iets: het kwaad is er ook. Dat moet je onder ogen zien. Het helpt, als je dat onder ogen ziet. Een jonge vrouw uit mijn vorige gemeente – 45 was ze nog maar – zei, toen ze ongeneeslijk ziek werd, niet: ‘waarom overkomt mij dit?’ Zij zei: ‘waarom zou het mij niét overkomen’. Zij zag onder ogen dat het kwaad bestaat. Deze dingen gebeuren. Ieder mens krijgt er op een of andere manier mee te maken. Het helpt, als je dat onder ogen ziet.

Maar het kwaad komt niet van God. Het kwaad komt van de duivel, van satan. De satan, dat is de tegenstander, dat is degene die God tegenwerkt. Ja maar, zou je kunnen zeggen, God laat wel toé, dat hij wordt tegengewerkt! Dan komt dat kwaad toch uiteindelijk wel van God!

Nee, het goede komt van God. Het kwaad komt van de krachten en de machten die God tegenwerken. En ja, die krachten zijn er – overal ín ons en om ons heen. Het punt waar het om draait in het boek Job is: wat doén wij ermee. Luisteren wij naar God of naar zijn tegenstander? Dat is aan ons. God heeft van ons vrije mensen gemaakt. God wilde mensen die lijken op Hem. Mensen die zelf nadenken. Die verantwoordelijkheid durven nemen,

Die keuzes durven maken. Mensen die ervoor kunnen kiezen om voor elkaar zo goed als God te zijn. Daarover gaat het in het boek Job. Waar kies je voor: voor God of voor zijn tegenstander. Job kiest voor God.

Gelukkig lezen we in Job, dat die tegenstander ondergeschikt is en blijft aan God. God heeft het eerste woord en het laatste woord.

Er is nog iets waar ik bij stil wil staan. Job rouwt. Dat is voor ons niet vanzelfsprekend.

Wij zijn flink en sterk. Wij kunnen het wel aan. Wij gaan door. Met ons gaat het goed.

Dat is tenminste wat in onze maatschappij van ons wordt verwacht. Gelukkig zie ik de laatste tijd dat er meer begrip is gekomen voor mensen die in de rouw zijn en dat zij meer ruimte krijgen om te rouwen.

Job doet het gewoon. Job rouwt. Hij verbergt zijn gevoelens niet. Hij scheurt zijn kleren. Hij scheert zijn hoofd kaal en hij werpt zich in het stof. Job rouwt en iedereen kan het zien.En nu denkt u misschien, ja, maar Job had ook echt wel reden om te rouwen. Als je alles tegelijk verliest. Dat gebeurt toch eigenlijk nooit!

Job verliest alles, wat je maar kunt verliezen. Ik denk dat dat betekent, dat elk verlies serieus wordt genomen. Elk verlies is een reden is om te rouwen. Zo kunnen wij ons allemaal herkennen in Job. Je kunt je bezittingen kwijtraken. Zomaar. Dat kan. Ook in onze welvarende maatschappij. We hebben niet voor niets zoveel daklozen. Zelfs iemand met een goede baan en een goed inkomen kan door allerlei omstandigheden zomaar in armoede vervallen. Je kunt een dierbare mens verliezen door echtscheiding of door de dood. Je kunt zelfs je kind verliezen. Dat gebeurt – wij weten het. Het kan iederéén overkomen. Zomaar – zomaar ineens.

Je kunt ook je gezondheid verliezen. Velen van ons ervaren dat bij het ouder worden –maar sommigen ervaren dat al als ze heel jong zijn. Dan moet je veel loslaten. Dat gaat niet vanzelf. Ook dat is rouwen. Job doet dat. Job rouwt.

Jobs vrienden rouwen ook. Zij rouwen met hem. En zo leren ook zij ons hier een belangrijke les. Ze zijn er. Ze zijn bij hem. Dat is wat vrienden doen. Elifaz en Bildad en Sofar rouwen met Job. En nog iets: ze zwijgen. Ergens las ik, dat dat de raad van de wijzen is. Die wijzen raden aan, las ik, om niet tegen een rouwende te spreken, voordat hijzelf iets heeft gezegd.

Ik vind dat iets om te onthouden. Je weet nooit wat er omgaat, in iemand die net door een groot verdriet is getroffen. Dat kan van alles zijn: verdriet, boosheid, onbegrip of ontkenning.

Maar misschien is zo iemand ook bezig met wat er allemaal geregeld moet worden, of er komen bepaalde herinneringen bij hem boven – als bezoeker heb je gewoon geen idee, wat er op dat moment in de ander omgaat. Dat ontdek je pas als zij iets zegt. Dus als je even wacht tot degene die in rouw is spreekt, dan kun je bij haar aansluiten. Dan hoef je hem niet te vermoeien met jouw eigen gedachten.

Gelukkig wachten de meeste mensen niet zolang met spreken als Job. Dus dat even afwachten – dat moet te doen zijn.

Vandaag ontdekten we dat wij kunnen lijken op Job. Job doet twee dingen die belangrijk zijn: Job ziet God als de bron van al het goede én Job ziet het kwaad onder ogen. In al het kwaad blijft hij vertrouwen op God. Dat kwaad neemt Job heel serieus. Het gaat hem door merg en been. Hij rouwt.

Dit was nog maar het begin van het boek Job. Maar nu al ben ik zo onder de indruk van Job, dat ik denk: als ik nog een zoontje zou kunnen krijgen, dan noem ik hem Job.

Job 1 & 2