Jezus nadoen? Hoezo? 28-1-’18

Marjolijn RusschenPreken

Jezus nadoen? Hoezo?

Als er geen kerk meer is, verdwijnt God uit de wereld. Dat is een boude stelling, ik weet het, maar ik denk dat het waar is. God leeft door ons. Christus leeft in ons of hij leeft niet. We kunnen Christus niet overlaten aan die paar wetenschappers, die de geschiedenis en het gedachtengoed van kerk en bijbel bestuderen. Hun bijdragen zijn belangrijk, onmisbaar zelfs, maar daarmee brengen zij nog niet persé God in de wereld. God heeft partners nodig. Zijn geest zoekt een plek om te wonen. Die wil wonen in mensen. Christus heeft een lichaam nodig. Zo is Hij in de wereld.

Dat zegt Joanne Boyce in het lied “You are my hands”. We luisteren nu naar het eerste deel van dat lied.

Fragment – begin van het lied: ‘Where is my life’ – tot en met –

‘I live my life through you’. Zie link: (het gaat niet om de afbeeldingen, maar om de tekst): https://www.youtube.com/watch?v=_52JAbIdE-8

‘Waar is mijn leven? Mijn mensen sterven. Zó heb ik de wereld niet bedoeld.

Waar is mijn liefde? Mijn kinderen huilen. Zoveel harten vol pijn en ellende.

Maar ik heb júllie bevrijd, Opdat júllie een lévend teken zouden zijn, en allen kunnen zien dat ik leef.

Ik heb géén handen, dan die van jullie. Ik leef míjn leven door júllie.

Het Woord moet léven ín joú. Ik heb geen handen, dan die van jou.

Alles heb ik aan jullie gegeven.

Jullie zijn mijn handen. Door jullie, leef ik mijn leven’.

In dit lied hoor ik het ook. God kan niet zonder partners, Christus kan niet zonder lichaam. Hij leeft niet, als er geen mensen zijn die zijn leven.

Datzelfde lees ik in Marcus 1. Vorige week zagen we dat Marcus in vers 14 en 15 een korte samenvatting geeft van alles wat Jezus doet. Vandaag lezen we hoe Jezus zijn werk begint. En dan zie je: het allereerste wat Hij doet, is: er mensen bíj roepen. We kenden dat natuurlijk al uit het Oude Testament. Dat is wat God daar doet: Hij maakt mensen tot zijn partners. Hij kiest het volk Israël, Hij kiest mensen uit. Door hen laat Hij de wereld zien wie Hij is. Zo kunnen álle volken het zien en ervaren, dat God vreugde brengt, en gerechtigheid en vrede.

Het eerste wat Jezus doet dus, is mensen zoeken, die zíjn leven gaan leven. Simon en Andreas en Johannes en Jacobus – zij gaan achter Jezus aan. Zij volgen hem na. Dat is het eerste wat wordt gezegd over mensen van God. Zij zijn navolgers. Navolgen, nadoen dat is belangrijk. Dat weten we allemaal. De allerbeste manier om iets te leren is door nadoen, het goede voorbeeld volgen.

Als kind leer je praten als er met jou gepraat wordt. Je leert schrijven als de juf het voordoet, en jij het heel vaak, steeds weer nadoet. Je leert rekening te houden met een ander, als er met jou rekening wordt gehouden, als er naar jou wordt geluisterd, maar ook, als je ervaart dat je soms géén aandacht krijgt, omdat nú iemand anders even voorgaat. En zo gaat het ons hele leven door. Altijd zie je om je heen goede voorbeelden, die je inspireren om ze na te volgen.

Als je iemand nadoet, kijk je heel goed wie hij is en wat hij doet. Om Jezus na te volgen moet je dus goed kijken wie Jezus is. Jezus is liefde. Jezus ziet mensen, die niet gezien worden. Hij ziet pijn die anderen niet zien. Wie door Hem gezien wordt kan weer verder. Je wordt gekend in je diepste wezen – en je geneest.

Jezus stelt zich dus dienstbaar op. Het gaat hem niet, het gaat hem nooit om zijn eigen ego. Het gaat hem ook niet om macht of lijfsbehoud. Nee al die dingen laat Jezus los. Hij is liefde. Hij leeft ten dienste van de ander. Hij zorgt dat de ánder kan groeien.

Zijn dienst, zijn liefde voor mensen gaat zo ver, dat Hij zélfs niet probeert zijn eigen leven veilig te stellen. Hij houdt vast aan zijn liefde en daarvoor Hij zijn leven los.

Loslaten behoort tot de kern van het leven van Jezus. Dat doen Simon en Andreas, Johannes en Jacobus dan ook direct. Zij laten alles los: hun werk, hun familie – en dan ontdekken ze iets heel bijzonders: juist door los te laten groeien wij. Door los te laten groeien wij uit tot mensen van God. Zo worden wij: lichaam van Christus. Het leven van Christus leven is: loslaten. Dat klinkt nog abstract, vreemd ook misschien, maar als je bedenkt, dat wij in ons leven voortdurend moeten loslaten, dan herken je dat wel.

Denkt u maar aan een klein kind. Als baby hoef je helemaal niks. Als het goed is krijg je alleen maar: eten, verzorging, liefde, aandacht. Maar dat kan niet zo blijven. Je kunt alleen maar groeien, als er op een gegeven moment ook eisen aan je gesteld worden. En zo gaat dat steeds weer in je leven. Je kunt alleen maar groeien, als je eerst iets hebt losgelaten.

Denkt u maar aan een student. Als student heb je grote vrijheid. Je hebt nog geen vriend of vriendin, met wie je rekening moet houden. Je hebt nog geen werk, waar je op maandagochtend om half negen present moet zijn, en dan wel elke maandagochtend en ook al die andere ochtenden in de week en dan het liefst ook nog zonder hoofdpijn. Dat is heerlijk, die vrijheid. Maar als dat eeuwig voortduurt is het niet meer geweldig. Je kunt alleen maar groeien als je die vrijheid opgeeft.

Dat kan best lastig zijn. Iets wat vertrouwd is voelt veilig. Je weet hoe het gaat. Als je dat loslaat – hoe moet het dan? Dat is onzeker, spannend. Maar als je die vrijheid die je hebt als student los durft te laten, ontdek je dat je er veel meer voor terugkrijgt. Door je werk kun je je verder ontwikkelen. Door je echtgenoot kun je groeien als mens.

Dat loslaten gaat je hele leven door. Als ouders heb je zeggenschap over je kinderen, maar ook dat moet je loslaten. Ook dan ontdek je dat juist zo, je leven rijker wordt. Je ziet hoe je kinderen zich ontwikkelen en hun eigen wegen vinden. Dat is misschien wel de grootste beloning van het ouderschap. Het is een rijkdom die je zomaar in de schoot valt. Daarvoor moet je hen eerst loslaten.

Ook op je werk ontdek je dat niet alles zo gaat, als jij graag wilt. Ook dat moet je loslaten, Maar juist dan ontdek je iets heel bijzonders: namelijk dat je met al die andere mensen samen, tot iets veel mooiers komt.

En zo gaat het verder. Als je oud bent moet je je gezondheid loslaten, en je onafhankelijkheid en uiteindelijk zelfs je leven.

Als Jezus Simon en Andreas en Johannes en Jacobus roept is het eerste wat ze leren: loslaten. Loslaten wordt de rode draad in hun leven. Hun leven in navolging van Jezus wordt één grote beweging van het loslaten van je ego, je macht, je eigen gelijk, om in plaats daarvan te gaan liefhebben en dienen. Jezus navolgen is jezelf verliezen en op een nieuwe manier terugvinden. Het is sterven én opstaan-en-nieuw-leven vinden.

Wie zijn leven verliest om mijnentwil, zegt Jezus (Mk 8:35 e.a.), die zal het behouden. Dat is bevrijding. Je bent nog wel dézelfde, maar je bent niet meer hetzelfde.

Lied 346 (Huub Oosterhuis) zegt:

‘Roept God een mens tot leven,

Wie weet waarom en hoe,

Hij moet zichzelf prijsgeven,

Hij leeft ten dode toe.

Hij zal zijn leven geven,

Hij maakt zichzelf tot brood –

Hij sterft en anderen leven,

Hij overleeft de dood’.

In de dagen van Samuël weet bijna niemand iets van God. Zo is het ook in Galilea in de tijd van Jezus. In onze tijd is het al niet anders. Blijkbaar is dat van alle tijden. Maar als Samuel de stem van God hoort, geeft hij antwoord. En als Simon en Andreas en Johannes en Jacobus de stem van Jezus horen, gaan zij Hém achterna. Zo worden zij mensen van God, lichaam van Christus, en zo, en alleen zo, worden zij vissers van mensen.

Door hen vinden anderen het leven. En wij – wat doen wij als die stem óns aanspreekt?

Het lied wordt verder gespeeld vanaf: ‘Waar is het licht’. Tekst lied in geheel:

Waar is mijn leven?

Mijn mensen sterven.

Zo heb ik de wereld niet bedoeld.

 

Waar is mijn liefde?

Mijn kinderen huilen.

Zoveel harten vol pijn en ellende.

 

Maar ik heb jullie bevrijd,

Opdat jullie een levend teken zouden zijn

en allen kunnen zien, dat ik leef

Refr:

Ik heb geen handen, dan die van jullie

Ik leef mijn leven door jou.

Het Woord moet leven in jou.

Ik heb geen handen, dan die van jou.

Ik heb alles aan jullie gegeven.

Jullie zijn mijn handen,

Ik leef mijn leven door jullie.

 

Waar is het licht?

Er is zoveel duisternis

Zo heb ik de wereld niet bedoeld.

Waar is jouw geloof?

Deze tijden zijn niet hopeloos

Als jij oprecht je leven geeft aan mij.

Ik zal je laten zien

hoe je voor mij kunt liefhebben,

Hoe je voor mij kunt leven.

Dan zul je het zien,

echt, dan zul je het zien.

Refr:

 

Waar is mijn kudde?

Mijn schapen dolen.

Wie zal mijn kinderen bij mij terugbrengen?

Waar is de waarheid

Waar geloof jij in?

Houd jij van mij, Houd je echt van mij?

Zul jij mijn lammeren voeden

En vertellen over mijn liefde

Zul jij mijn schapen voor mij voeden.

Zul jij mijn lammeren voeden? Refr.

en vertellen over mijn liefde?

 

 

Where is my life?

My people are dying.

This isn’t what I meant world to be.

Where is my love?

My children are crying.

So many hearts full of pain and misery.

 

But I set you free

so you would be a living sign for all to see

that I live, that I live.

Refr:

I have no hands but yours,

I live my life through you.

The written word must be alive in you.

I have no hands but yours,

I’ve given all to you.

You are my hands.

I live my life through you.

 

Where is the light?

There is so much darkness.

This isnt what I meant the world to be.

Where is your faith?

These times won’t be hopeless,

If you truly give your life to me.

I’d show you how to love for me,

Show you how to live for me.

Then you’d see, then you’d really see.

 

 

Refr: I have no hands, but yours etc.

 

Where is my flock?

My sheep are straying

Who’ll bring my children back to me?

 

Where is the truth?

What do you believe in?

Do you love me, do you really love me?

Will you feed my lambs?

And tell of my love, tell of my love.

Will you feed my sheep for me?

Will you feed my lambs?

And tell of my love, tell of my love

 

Amen

Marcus 1 vers 16-20 en Samuël 3 vers 1-10