1e kerstdag, 25-12-17

Marjolijn RusschenPreken

In de kerstnachtdienst heb ik iets verteld over Edith Eva Eger. Ook nu wil ik iets over haar vertellen. Edith Eger is geboren in 1927 in Hongarije. Als joods meisje van 16 jaar werd ze in 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Edith overleeft. Na de oorlog vlucht ze samen met haar man voor het communisme en in Amerika bouwt ze een nieuw leven op. In het boek ‘De keuze’ vertelt Edith over haar leven en werk. Wat heeft dit te maken met kerst? Johannes 1, het evangelie voor de kerstmorgen gaat over ‘het woord’. Ook in het leven van Eger spelen het woord, woorden, een grote rol. Zij zegt: de woorden, die ik in mijn gedachten had, die hebben me gered.

Ik geef u een voorbeeld. Eens had haar moeder tegen haar gezegd: ‘ik ben blij dat je hersens hebt, want van je uiterlijk moet je het niet hebben.’ Toen haar moeder dat zei, maakten die woorden haar angstig: ze dacht: ik ben niet goed, ik ben niet zoals een meisje moet zijn.

Maar toen ze in Auschwitz kwam, kregen die woorden van haar moeder een andere betekenis. ‘Ik heb hersens’, dacht ze, ‘ik ben slim. Ik ga ontdekken hoe dingen werken’.

Nog een voorbeeld. Voor de oorlog had Edith een vriendje: Eric. Vlak voor hun deportatie had Eric tegen haar gezegd: ‘Ik zal nooit je handen en je ogen vergeten’. Toen ze op de eerste dag in het kamp naakt en kaalgeschoren voor de bewakers stond, en nog vele keren daarna, kwamen deze woorden van Eric in haar gedachten. Woorden van iemand die liéfdevol naar haar keek. De woorden van haar moeder en van Eric, de woorden, die ze in haar hoofd hoorde, maakten een enorm verschil. Door die woorden lukte het haar om hoop te houden.

Nu het ‘woord’ uit Johannes 1. ‘In het begin was het woord, het woord was bij God, en het woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan’. Dit ‘woord’ is niet zomaar een woord. De Naardense bijbel vertaalt het met ‘het spreken’. Dit woord is een spreken. Dit woord spreekt ons aan. Of liever gezegd het spreekt ons toe. Het is een vriendelijk, een troostend spreken. Dát spreken, staat in Johannes 1, is de oorsprong van ons leven. Dat doet God: liefdevol en barmhartig spreekt God ons toe. In de hele Bijbel klinkt dat door. Door die vriendelijke woorden van God, weet ik me gezien. Ik weet: God kent mijn hart. Híj weet wat er in mij omgaat.

Volgens Martin Buber, de grote joodse filosoof en bijbelvertaler, is dit wat wij mensen het meest nodig hebben: dat je liefdevol wordt aangesproken, dat je gezien bent, dat je gekend wordt. Paus Franciscus zegt over zichzelf: ‘Ik ben iemand die door de Heer wordt gezien’.

Dat is de basis onder zijn leven. Dat is de kern van kerst: God spreekt vriendelijke woorden tot ons. Ikzelf heb het geluk gehad dat ik zulke vriendelijke woorden, al als kind heb meegekregen. De eerste psalm die ik leerde toen ik zes was, was Psalm 116, nog in de oude vertaling: ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen….en levenslang ben ik niet eenzaam meer’. Die woorden ontroeren me nog steeds. Ook de woorden uit het slot van Psalm 27 hebben mij steeds weer bemoedigd. ‘Wees dapper hart, houd altijd goede moed. Hij is getrouw, de bron van alle goed’. En zo hebt u misschien uw eigen woorden: vriendelijke, troostende, bemoedigende woorden, woorden waarin God zélf tot je spreekt.

Nu staat er in Johannes 1: Dit woord, dit vriendelijke spreken van God, is méns geworden. Eén van de manieren waarop God tot ons spreekt is door het leven van Jezus. ‘Het woord is mens geworden en het heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid’.

Of je nu het hele leven van Jezus overziet of naar een klein stukje ervan kijkt: ín dat alles spreekt Gód tot ons. Het leven van Jezus ís dat vriendelijke troostende woord van God. Zijn leven spreekt tot ons. En: zijn leven verbindt ons met elkáár. Allemaal hebben we verschillende levens, maar het zijn allemaal variaties op het leven van Jezus.

Het is als een muziekstuk: dat heeft één thema (het deuntje, de melodie waaraan je het meteen herkent), met meerdere variaties. Zo kun je het leven van Jezus zien als het thema, en al onze verschillende levens als variaties op dat thema (Rowan Williams). In de hoogte- en dieptepunten in het leven van Jezus, herkennen we de hoogte- en dieptepunten in ons eigen leven. Door zijn lijden, sterven en opstanding weten wij – wat ons lijden ook is – wij kunnen erdoor heen gaan, en een nieuw begin maken.

Jezus kende lijden en eenzaamheid. Wij ook. Ieders lijden is anders, maar er is geen mens, die niét weet wat lijden en eenzaamheid zijn. Het lijden van Jezus spreekt tot ons. Het zegt: Jouw verdriet mag er zijn. Je hoeft het niet te ontkennen. Duw het niet weg. Die trouwe Heer ként je pijn en je verdriet. In de veilige warmte van zijn liefde, mogen ze er zijn.

Ik vertelde dat ik als kind Psalm 116 leerde. U denkt misschien: een kind van zes iets leren over smekingen en klagen. Is dat niet wat zwaar? Ik denk dat juist zulke teksten mij een diep vertrouwen hebben gegeven, dat ik gekénd werd met míjn moeiten en verdriet. Zelfs al was er geen méns bij wie ik terecht kon: ik kon mijn verdriet uiten! Ergens wist ik: ik wórd gehoord. Door de woorden van de Psalm hoorde ik de vriendelijke stem van God.

In Johannes 1 lezen we nog meer. Daar staat: ‘Het woord was in de wereld, en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar de wereld, maar hij werd niet ontvangen’, maar wie Hem wel ontvangen heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn uit God geboren’. Dat vriendelijke woord van God, vraagt een ántwoord. We kunnen ingaan op dat vriendelijke spreken van God of niet. In lied 826 staat: ‘Gij woord dat antwoord vraagt, o Heer, geef dat wij u herkennen mogen’.

Ons antwoord op het leven van Jezus is ons eígen leven. Kan ons menszijn groeien aan dat van Hem? Durven wij, net als Hij, door óns lijden heen te gaan? Kunnen wíj, ondanks lijden en moeite, groeien in liefde?

Edith Eger vertelt in haar boek dat ze eerst haar verdriet verdrong. Het mocht er niet zijn. Datzelfde zag ze ook bij anderen. Ze zag ook de gevolgen daarvan. Als je het niet hebt verwerkt, reageer je het af op anderen. Als Eger zich ongelukkig voelde gaf ze haar man de schuld. En in haar praktijk als psycholoog ziet ze mensen, die boos en wraakzuchtig zijn, die een gevaar zijn voor anderen, die huwelijksproblemen hebben of die proberen anderen onder controle te houden. Allemaal dingen die veel schade aanrichten, En dan hebben we het nog niet eens over de regeringshoofden – en de schade die zij aan kunnen richten – en de vele onschuldige mensen die daar het slachtoffer van worden.

Edith Eger leert haar eigen gevoelens toe te laten, die te accepteren en te verwerken, en ze helpt anderen om hun gevoelens onder ogen te zien en te accepteren, zodat ze hun haat en woede en hun angsten niet meer op anderen hoeven te richten. En ook zij kunnen groeien in liefde. Het leven van Eger en van de mensen die ze helpt -dat ís zo’n antwoord op het woord van God. Door de diepte heen, maken zij een nieuw begin en groeien zij in liefde.

Aan het einde van haar boek vertelt Eger over de Nederlandse Corrie ten Boom, die honderden Joden liet onderduiken. Zij kwam in Ravensbrück, waar haar zus in haar armen stierf. Een paar jaar na de oorlog ontmoette Corrie ten Boom een van de wreedste bewakers van dat kamp. Ze bad voor de kracht om hem te vergeven. Ze nam zijn handen in die van haar. Op dat moment ervoer zij de puurste en diepgaandste liefde. Dat is het antwoord op het woord van God.

Uiteindelijk gaat ook Edith Eger terug naar Auschwitz. Ze is gegroeid in liefde, nu is er nog één persoon, die ze moet vergeven. Dat is: zichzelf. Want zij voelt zich schuldig, dat zij wel heeft overleefd, en haar ouders en vele anderen niet. Had ze iets anders moeten doen?

Daar in Auschwitz maakt ze de keuze om zichzelf te accepteren zoals ze is. Menselijk, niet perfect. Je kunt jezelf verwijten blijven maken, om wat je misschien wel of niet had moeten doen. Je kunt blijven treuren om wat je niet hebt kunnen voorkómen, maar dan loopt je leven dood.

Edith pakt een kleine steen – In de joodse traditie wordt zo’n steen op een graf gelegd om de dode te eren – ze legt die op het stuk grond waar haar barak heeft gestaan. ‘Ik mis jullie’, zegt ze tegen haar ouders. ‘Ik zal altijd van jullie blijven houden’. En ze bedankt voor het leven, en voor het vermogen om dat leven eindelijk te accepteren zoals het is.

Ze heeft geleerd te overleven en op te bloeien. Ze heeft geleerd anderen én zichzelf te vergeven. Ze is niet langer gevangen. Ze is vrij. Zoals Corrie ten Boom en Edith Eger woorden hadden, die tot hen spraken, en die hen op de weg zetten van genezing en liefde, zo hebben wij een woord dat tot ons spreekt. Dat is het woord van God. Dat is leven, lijden, sterven én opstanding van Jezus Christus. Dat woord dat tot ons spreekt is een woord dat antwoord vraagt.

‘Geef’, zegt lied 826, ‘dat wij dat woord herkennen mogen’. Geef, dat óns leven dat antwoord ís. ‘Wie Hem ontvangen, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn uit Gód geboren’.

Amen

Johannes 1 vers 1-14